Jurisprudentie mei 2026
Een selectie van de uitspraken die in de periode van 1 tot met 29 april zijn gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”). Over de beoordeling van indirecte akoestische effecten op omliggende wegen bij een TAM-omgevingsplan, de vernietiging van een weigering om planologische medewerking te verlenen en de handhaving van de jaargemiddelde geluidnorm voor windturbines.
Ruimtelijke plannen
TAM-omgevingsplan Stationsomgeving Best: 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2092
Eindelijk is er dan een uitspraak waarbij een omgevingsplan wordt getoetst aan de nieuwe regels van de Omgevingswet en bijbehorende regelingen.
De naam van dit TAM-omgevingsplan doet het al vermoeden. Het doel is om de stationsomgeving te transformeren naar een levendig en aantrekkelijk verblijfsgebied. Er worden commerciële voorzieningen en 600 woningen (voornamelijk appartementen) mogelijk gemaakt.
Deze plannen hebben onder andere tot gevolg dat de verkeersintensiteiten op bestaande omliggende wegen toenemen. Voor de beoordeling van deze indirecte akoestische effecten is met de invoering van de Omgevingswet een wettelijke bepaling opgenomen.
Artikel 5.78af van het Besluit kwaliteit leefomgeving luidt als volgt:
“Een omgevingsplan dat een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een weg of spoorweg voorziet erin dat het geluid door die weg of spoorweg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt als gevolg van die toename van de verkeersintensiteit.”
Is er wel een toename groter dan 1,5 dB, dan is dat op basis van het derde lid alleen toelaatbaar indien er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om die toename te voorkomen. Als de toename niet kan worden voorkomen, dan moet het zoveel mogelijk worden beperkt. Een harde randvoorwaarde is dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger mag zijn dan de grenswaarde uit artikel 3.35 Bkl (70 dB Lden). Bij de toepassing van het derde lid moet de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw worden beoordeeld.
Appellant is eigenaar van een perceel binnen het geluidaandachtsgebied van de Stationsstraat. Hij wil een nieuwe woning op dat perceel bouwen. Die bouwmogelijkheid is al toegelaten. In het akoestisch onderzoek staat dat de verkeersintensiteit op de Stationsstraat tot 42% toeneemt. Dit betekent een toename van de geluidbelasting van 1,52 dB.
Afronding bij toepassing artikel 5.78af: wanneer is een toename groter dan 1,5 dB?
De Afdeling overweegt dat sprake is van een toename van meer dan 1,5 dB als bedoeld in artikel 5.78af. Een toename van 1,52 dB is immers meer dan 1,5 dB. Daarbij merkt de Afdeling op dat in artikel 3.8 lid 2 van de Omgevingsregeling is bepaald dat er bij de toetsing aan artikel 5.78af niet op hele getallen mag worden afgerond.
In beginsel wordt bij het bepalen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wel afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal (zie artikel 3.4 Omgevingsregeling). Een afronding op hele getallen is vrij zinloos om te beoordelen of er sprake is van een toename van meer dan 1,5 dB. Daarom is het niet gek dat in artikel 3.8 lid 2 is geregeld dat de geluidwaarden in afwijking van artikel 3.4 niet worden afgerond.
De cursieve tekst is relevant. Er wordt dus niet op hele getallen afgerond. Maar wil dat zeggen dat het rekenresultaat met twee decimalen moet worden weergegeven? Of mag er wel op één decimaal worden afgerond? En is 1,52 dB eigenlijk 1,5 dB in de context van artikel 5.78af Bkl?
Opvallend is dat de Afdeling oordeelt dat “uit artikel 3.8, tweede lid, van de Omgevingsregeling volgt dat deze waarde van 1,52 dB niet (op hele getallen) mag worden afgerond”. De toevoeging ‘op hele getallen’ tussen haakjes laat ruimte voor een interpretatie dat wel op één decimaal zou mogen worden afgerond. Maar de Afdeling oordeelt ook dat 1,52 dB meer is dan 1,5 dB. Dat laat geen ruimte voor interpretatie.
Kijkend naar de verdere context van de Omgevingsregeling en bijlage IVe is het mijns inziens verdedigbaar dat een afronding op één decimaal wel mogelijk is. Zo bepaalt artikel 3.7 dat de basisgeluidemissie wordt berekend volgens bijlage IVd en afgerond op één decimaal. In bijlage IVd wordt ook in meerdere rekenregels getoetst aan waarden met één decimaal, waarbij het rekenresultaat eerst op één decimaal moet worden afgerond alvorens daaraan te toetsen. Ook de geluidproductieplafonds worden op één decimaal bepaald (zie artikel 3.21 van de Omgevingsregeling), terwijl de daarvan afgeleide geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen in hele getallen wordt weergegeven.
De Afdeling had op dit punt meer duidelijkheid kunnen geven. Zit er bij de toepassing van artikel 5.78af nog iets tussen rekenresultaten met twee decimalen en afronding op hele getallen?
Bronmaatregelen
Voor de Afdeling werd de soep niet zo heet gegeten. Uit het akoestisch onderzoek bleek namelijk dat er wel degelijk bronmaatregelen konden worden getroffen om de toename van 1,52 dB te voorkomen. De Stationsstraat zou kunnen worden afgewaardeerd tot een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Dan is er geen sprake meer van een toename van 1,5 dB.
De gemeenteraad heeft in het verweerschrift aangegeven dat het de bedoeling is dat deze bronmaatregel wordt doorgevoerd. De Afdeling volgt de raad daarom in het standpunt dat de wijziging van het omgevingsplan geen toename van meer dan 1,5 dB op geluidgevoelige gebouwen veroorzaakt. De raad heeft er ‘overigens’ op gewezen dat er op 10 oktober 2025 een verkeersbesluit is genomen en de maximumsnelheid is beperkt tot 30 km/uur. Dit verkeersbesluit is dus enkele weken na het herstelbesluit genomen.
Doordat deze bronmaatregel kon worden getroffen, is er volgens de Afdeling geen toepassing gegeven aan het derde lid van artikel 5.78af. Er konden immers wel bronmaatregelen worden getroffen, waardoor de toename kleiner was dan 1,5 dB. De raad hoefde daarom niet aan de criteria van het derde lid te toetsen. Ook was er geen verplichting om de cumulatieve geluidbelasting te beoordelen.
Dit roept de vraag op in hoeverre bij de vaststelling van het omgevingsplan mag worden vooruitgelopen op nog te treffen bronmaatregelen. De uitspraak wekt de indruk dat er geen voorwaardelijke verplichting in het omgevingsplan was opgenomen, waarmee de uitvoering van die bronmaatregel werd geborgd. Het feit dat het verkeersbesluit spoedig na de vaststelling van het omgevingsplan is genomen, speelt mogelijk een rol in deze praktische benadering van de Afdeling.
Wijziging artikel 5.78ae en samenhangende bepalingen
De Afdeling heeft in de uitspraak de tekst van artikel 5.78ae opgenomen zoals deze luidde op de datum dat het omgevingsplan werd vastgesteld. Dit artikel regelt wanneer de bepalingen over het beoordelen van indirecte akoestische effecten van toepassing zijn. Het gaat om “verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het RVV 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde”.
De ondergrens van 1.000 motorvoertuigen per etmaal is per 20 september 2025 verhoogd naar 2.500 motorvoertuigen per etmaal, via het Verzamelbesluit Omgevingswet IenW milieu 2025. Deze wijziging van 1.000 naar 2.500 motorvoertuigen is op soortgelijke wijze doorgevoerd in artikel 5.78 en 5.78i Bkl over de beoordeling van rechtstreekse akoestische effecten. Het TAM-omgevingsplan is vastgesteld op 16 december 2024 en later opnieuw gewijzigd vastgesteld op 15 september 2025. Of deze verhoging van de ondergrens – 5 dagen na de vaststelling van het herstelbesluit – nog een escape had geboden in deze uitspraak, is niet duidelijk. Uit de uitspraak blijkt niet wat de verkeersintensiteit op de Stationsstraat in absolute
Weigering planologische medewerking Teylingen: ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1833
Dit is een zeldzame uitspraak, in die zin dat de weigering om planologische medewerking te verlenen met succes wordt aangevochten. In ieder geval vooralsnog.
De initiatiefnemer wil een bedrijfswoning omzetten naar een burgerwoning en een nieuwe greenportwoning realiseren. Het gaat om een leegstaand kassencomplex. De gemeenteraad heeft vier argumenten om medewerking te weigeren. De Afdeling zet een streep door alle weigeringsgronden. Van strijd met de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 is geen sprake en hoewel er meer behoefte is aan betaalbare woningen is er ook behoefte aan dure woningen. Er is weliswaar een zeer korte afstand tot spuitzones, maar de initiatiefnemer is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om een locatiespecifiek onderzoek aan te leveren om die korte afstand te onderbouwen.
De gemeenteraad zag ook een belemmering in mogelijke geluidhinder van een nabijgelegen autogarage met tankstation. De bewoners van de woningen zouden geluidsoverlast kunnen ondervinden van dichtslaande portieren. Daarbij was volgens de gemeenteraad van belang dat het tankstation 24 uur per dag geopend is.
De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering hanteert een richtafstand van 10 meter tussen een autogarage met tankstation en een woning. Aan die richtafstand wordt voldaan. De gemeenteraad beargumenteerde dat de VNG-brochure uitgaat van een gemiddelde bedrijfsvoering en slechts indicatief is. Geluidhinder was daarom niet op voorhand uitgesloten.
De Afdeling draait dit om. Bij het opstellen van de VNG-brochure zijn dichtslaande portieren en een 24/7 exploitatie meegenomen als onderdeel van de normale bedrijfsvoering. Dat is dus al in de richtafstand verdisconteerd. Als de raad meent dat er toch sprake kan zijn van onaanvaardbare hinder, zal de raad dat moeten onderbouwen. De raad heeft echter geen bijzondere omstandigheden benoemd.
De initiatiefnemer wijst er bovendien terecht op dat er nu al een bedrijfswoning staat. Dat is een bedrijfswoning bij het kassencomplex. Voor de autogarage en het tankstation is dat een woning van derden. Of dat nu een burgerwoning of een bedrijfswoning is, maakt voor de toetsing aan de geluidnormen niet uit. Indien het standpunt van de gemeenteraad is dat er onaanvaardbare geluidhinder is, dan is er kennelijk in de huidige situatie al sprake van een overschrijding van de geluidnormen, waartegen handhavend zou moeten worden opgetreden.
Dat het weigeringsbesluit onderuit gaat, wil nog niet zeggen dat de woningen er gaan komen. Het locatiespecifieke onderzoek naar het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen zal bepalend zijn. En wellicht vindt de gemeenteraad nog andere argumenten om de weigering toch in stand te laten.
Windturbines
Windpark Caprice: ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2289
Het college van Lingewaard heeft voor een periode van 20 jaar een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee windturbines op het terrein van een steenfabriek.
Strengere geluidnorm
In de omgevingsvergunning zijn geluidnormen opgenomen van 46 dB Lden en 40 dB Lnight. Dit is strenger dan de standaardnorm uit het voormalige Activiteitenbesluit van 47 dB Lden en 41 dB Lnight (inmiddels te vinden in artikel 5.74 Bkl en artikel 4.430c van het Bal). Appellanten stellen onder verwijzing naar de publicatie van de WHO dat het college een nog strengere geluidnorm van 45 dB Lden als bovengrens had moeten hanteren en voor de nachtperiode een daarvan afgeleide geluidnorm van 38 dB Lnight.
Het gaat hier om slechts twee windturbines. Dat betekent dat het college op zich zonder nadere motivering had mogen aansluiten bij de hogere geluidnorm uit het voormalige Activiteitenbesluit. Dat zou pas anders zijn als het een windpark met minstens drie windturbines zou zijn. Daarvoor geldt ingevolge de bekende uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1395) dat op basis van een milieubeoordeling moet worden vastgesteld wat voor die specifieke locatie een acceptabel geluidniveau is.
Het college heeft niettemin voor een strengere geluidnorm gekozen. Daar was het college toe bevoegd. Op grond van artikel 3.14a lid 3 van het voormalige Activiteitenbesluit, kon het college in verband met bijzondere lokale omstandigheden bij maatwerkvoorschrift normen met een andere waarde vaststellen. Dit wordt door de Afdeling niet indringend getoetst, omdat de strengere norm ten gunste van appellanten is en de exploitant van het windpark zich hier kennelijk mee kan verenigen. De gekozen normstelling is volgens de Afdeling aanvaardbaar. Uit de akoestische onderzoeken blijkt ook dat aan die geluidnormen kan worden voldaan ter plaatse van omliggende woningen.
Laagfrequent geluid
Onder verwijzing naar eveneens vaste jurisprudentie (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2025:2677), oordeelt de Afdeling dat er geen aanleiding is om de invloed van laagfrequent geluid afzonderlijk te beoordelen. Laagfrequent geluid is al betrokken bij de berekening van de geluidbelasting met Lden.
Handhaving
Een veel gehoord bezwaar van omwonenden is dat de geluidnorm voor windturbines moeilijk handhaafbaar is. Het gaat namelijk om een jaargemiddelde geluidnorm. Daardoor kan er op bepaalde momenten veel meer geluid worden geproduceerd, mits dat wordt gecompenseerd op andere momenten. Een jaarlange geluidmeting op de gevel heeft geen zin om te controleren of aan de geluidnorm wordt voldaan, mede vanwege de invloed van stoorgeluiden.
De controle op de geluidnorm vindt in de praktijk plaats door een berekening te maken aan de hand van het bronvermogen van de windturbine, in combinatie met productiegegevens van de windturbines. Om hier voldoende grip op te hebben, heeft het college een maximaal bronvermogen voorgeschreven in de omgevingsvergunning.
De discussie gaat over de vraag hoe verstrekkend de controlevoorschriften in de omgevingsvergunning moeten zijn. Volgens de omwonenden had het college in de omgevingsvergunning een voorschrift moeten opnemen dat een akoestisch onderzoek moet plaatsvinden voor het definitieve windturbinetype. Daarnaast had het college volgens hen een bepaling moeten opnemen dat als uit dit onderzoek blijkt dat de gestelde normen voor de bronsterkte worden overschreden, gehandhaafd wordt.
Het college stelt het voorschrift over het maximale bronvermogen voldoende is. Ongeacht het type windturbine dat wordt gerealiseerd, zal aan dat geluidvoorschrift moeten worden voldaan. Voor de wijze van handhaven verwijst het college naar een eerdere uitspraak van de Afdeling van 3 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1064). In die uitspraak is beschreven hoe de handhaving concreet plaatsvindt, namelijk met een steekproefsgewijze controle van het geluidvermogen waarbij ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte wordt uitgegaan van de door de exploitant aan te leveren productiegegevens. Indien blijkt dat een of meer windturbines een hogere bronsterkte hebben dan waarmee is gerekend, kunnen de hogere waarden in de modellen worden ingevoerd en kan worden berekend of dit leidt tot een overschrijding van de normen bij de omliggende woningen. Indien dit het geval is, kan terugregeling van de windturbines plaatsvinden of kunnen in een uiterste situatie een of meer windturbines worden stilgezet.
De wijze waarop deze controle dient plaats te vinden, was onder het Activiteitenbesluit voorgeschreven in het Reken- en meetvoorschrift windturbines. De omstandigheid dat in het kader van de handhaving bij de bepaling van de windsnelheid op ashoogte in principe wordt uitgegaan van door de exploitant aan te leveren productiegegevens, betekende naar het oordeel van de Afdeling niet dat de handhaving rechtsonzeker is. De Afdeling wees erop dat in paragraaf 2.6 van het Reken- en meetvoorschrift windturbines is vermeld dat de gegevens in veel gevallen extern kunnen worden getoetst door registratie van het rotortoerental.
De Afdeling deelde in de zaak uit 2019 niet de mening van appellant dat overschrijdingen van de geluidnorm alleen achteraf konden worden vastgesteld. Volgens de Afdeling kan op ieder moment met een steekproefsgewijze controle van het geluidvermogen met behulp van modellen worden berekend of de jaargemiddelde geluidnorm bij omliggende woningen zal worden overschreden.
Ook voor het windpark Caprice oordeelt de Afdeling dat het niet nodig was om een aanvullende bepaling in de omgevingsvergunning op te nemen over een nader akoestisch onderzoek of over de handhaving. Daarbij verwijst de Afdeling specifiek naar de overwegingen in de uitspraak van 2019. De Afdeling ziet geen aanleiding om hierover in deze zaak anders te oordelen. De Afdeling betrekt daarbij dat het college heeft toegelicht dat de specificaties van de leverancier van de windturbines gecontroleerd zullen worden en dat binnen drie maanden na ingebruikname een geluidsmeting van de bronsterkte van beide windturbines dient plaats te vinden. Daarnaast heeft het college gesteld dat de initiatiefnemer in overleg omwonenden zal betrekken bij de monitoring van geluid.
Onder de Omgevingswet zal deze beoordeling ten aanzien van de handhaving niet anders zijn. Het Reken- en meetvoorschrift windturbines is overgenomen in de Omgevingsregeling. Afdeling 4.3a van de Omgevingsregeling verwijst in artikel 4.12c nog naar bijlage XXV. Die bijlage is inmiddels vervallen. De ‘meet- en rekenmethode geluid windturbines’ is nu te vinden in Bijlage IVi van de Omgevingsregeling. De verwijzing naar bijlage XXV is een achtergebleven transitiefoutje, dat zal in een van de reparatiebesluiten worden hersteld.