Jurisprudentie januari 2026
Een selectie van de uitspraken die in december 2025 zijn gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”). De geluidrapporten vliegen ons om de oren: over wegreconstructies, poedertorens, flexibele ontsluitingswegen en bouwkundige maatregelen voor de sanering van een oude woonboerderij. Het gat tussen de subjectieve beleving van geluidhinder en de toepassing van wettelijk voorgeschreven meet- en rekenvoorschriften loopt er als rode draad doorheen.
Ruimtelijke plannen
Omgevingsvergunning reconstructie N211: ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6185
De N211 wordt verbreed van 2×2 naar 2×3 rijstroken. Ook worden twee ongelijkvloerse kruisingen gerealiseerd. Het college van B en W heeft hiervoor een omgevingsvergunning verleend aan de provincie Zuid-Holland. De omgevingsvergunning is verleend voor het gebruiken van de gronden in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast heeft het college hogere waarden vastgesteld. Een omwonende vreest voor onaanvaardbare geluidsoverlast.
Procedurele omwegen
Om de plannen aan te kunnen vechten, moet de omwonende schaken op meerdere borden. Het besluit hogere waarden is namelijk niet gecoördineerd voorbereid. Daardoor moet hij direct beroep instellen bij de Afdeling tegen het besluit hogere waarden. Ondertussen moet hij voor de omgevingsvergunning eerst beroep instellen bij de rechtbank. Dat leidt tot de situatie dat de Afdeling al op 21 september 2022 uitspraak heeft gedaan op zijn beroep tegen de hogere waarde. De hogere waarde van 49 dB is daarbij in stand gebleven.
De route via de rechtbank kost aanzienlijk meer tijd. Aanvankelijk oordeelt de rechtbank dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd waarom een cumulatieve geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtsgevolgen blijven echter in stand, omdat de rechtbank een aanvullende motivering van de gemeente alsnog akkoord heeft bevonden. Daartegen komt de omwonende in hoger beroep bij de Afdeling.
De kunst van geluidrapporten lezen
De omwonende betwist op allerlei punten de juistheid van het akoestisch onderzoek. Zo voert hij aan dat de geluidbelasting ten onrechte alleen is berekend op de voorgevel van zijn woning en niet ook op andere gevels. Een diepere blik op het rapport en de bijbehorende bijlagen, leiden de Afdeling tot de conclusie dat er ook toetspunten liggen op de andere gevels. Het betoog ‘mist feitelijke grondslag’. En zo gaat het door op allerlei andere punten.
Geluidrapporten lezen is een kunst op zich, wat niet eenvoudig is voor een omwonende die voor het eerst met een juridische procedure wordt geconfronteerd. Het is daarom goed om te lezen dat de Afdeling uitvoerig alle argumenten bespreekt. De Afdeling legt uit hoe het geluidrapport is opgebouwd, waar de informatie is terug te vinden en hoe dit moet worden geïnterpreteerd (wat hopelijk bijdraagt aan de acceptatie van de uitspraak).
De omwonende krijgt subtiel het verwijt om de oren dat hij geen tegenrapport heeft laten opstellen. De omwonende voert aan dat de geluidbelasting is onderschat, omdat de reconstructie tot een nieuw knelpunt in de verkeersafwikkeling zal leiden. Hij vreest dat het verdwijnen van verkeerslichten leidt tot opstoppingen bij de toe- en afritten van de A4. De reactie van de Afdeling luidt dat het verdwijnen van verkeerslichten is meegenomen in het verkeersmodel. Zijn enkele stelling dat hij toch een knelpunt verwacht, is onvoldoende om aan de juistheid van het akoestisch onderzoek te twijfelen. Dat geldt ook voor de verwachting van de omwonende dat de geluidbelasting hoger zal zijn. Dat hij de geluidbelasting bij zijn woning wellicht anders ervaart en andere verwachtingen heeft van de toekomstige geluidbelasting, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de geluidwaarden die zijn berekend met toepassing van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Met andere woorden, als je daar iets tegenover wilt stellen zul je met een contra-expertise van een eigen deskundige moeten komen.
Onderbouwing cumulatieve geluidbelasting
Onderaan de streep krijgt de omwonende geen gelijk. Zijn laatste strohalm was de cumulatieve geluidbelasting, die aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd. De Afdeling oordeelt echter met de rechtbank dat aanvullende onderbouwing voldoende is. Ter plaatse van de woning van appellant is de cumulatieve geluidbelasting 52 dB. Dat is maximaal 1 dB hoger dan de geluidbelasting als gevolg van uitsluitend de N211, waarvoor de hogere waarde is vastgesteld. Die hogere waarde is 49 dB, maar exclusief de aftrek van 2 dB als bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder is dit 51 dB. Het feit dat de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 1 dB hoger is, betekent dat de geluidbelasting geheel of in overwegende mate wordt bepaald door de weg waarvoor de hogere waarde is vastgesteld. Andere geluidbronnen dragen niet of nauwelijks bij. Er is daarom geen sprake van een relevant gecumuleerd effect.
Poedertoren Uzin Utz Haaksbergen: ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6190
Soms is een bedrijfsnaam zo kenmerkend dat je weet dat je het eerder hebt gezien. En inderdaad, in de editie van november 2024 schreven we over de uitspraak die de Afdeling op 30 oktober 2024 heeft gedaan over de poedertoren. Toen ging het over enkele omwonenden die zich naar aanleiding van een herstelbesluit probeerden te mengen in een lopende beroepsprocedure. Dat mislukte. De veronderstelling die wij in onze bespreking van die uitspraak deden, namelijk dat de partij die in eerste instantie beroep had ingesteld het eens was met het herstelbesluit, blijkt niet te kloppen. Nu heeft de Afdeling namelijk pas uitspraak gedaan op dat beroep, nadat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (STAB) er aan te pas is gekomen en de gemeente nog een derde herstelbesluit heeft genomen.
Voorgeschiedenis
Wat was er aan de hand? Een bedrijf dat parketlijmen produceert wil een poedertoren van 42 meter hoogte realiseren. De gemeente stelt daarvoor het bestemmingsplan ‘Stepelerveld, fase 1, partiële herziening Uitbreiding Uzin Utz’ vast. Op 6 september 2023 oordeelde de Afdeling dat de gemeente ten onrechte de ruimtelijke gevolgen niet in beeld had gebracht. Zonder nadere motivering was niet op voorhand aannemelijk dat een verticale uitbreiding van ongeveer 26 meter op 1.000 m2 geen invloed heeft op de aspecten geluid en externe veiligheid ten opzichte van de voorheen bestemde situatie.
In reactie op de tussenuitspraak is het bestemmingsplan meermaals gewijzigd vastgesteld. Met een eerste herstelbesluit is in de planregels een emissienorm van 78 dB(A) opgenomen voor de gehele poedertoren. In een tweede herstelbesluit is dat gecorrigeerd en beperkt tot het bovenste gedeelte van de poedertoren. Uit de planregels blijkt dat met het bovenste deel wordt gedoeld op het gedeelte van 16 meter en hoger dat nieuw wordt toegestaan.
De appellant in kwestie is een melkvee- en varkenshouder die een woning heeft op ongeveer 200 meter afstand. Anders dan wij dachten, kan hij zich niet verenigen met dit nieuwe emissievoorschrift.
De gemeente heeft aanvullend geluidonderzoek laten verrichten, waarin ook het onderste deel van de poedertoren is betrokken. In het onderzoek wordt de conclusie getrokken dat een geluidnorm van 56 à 57 dB(A) op 50 meter uit de grens van het plangebied leidt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de (verder weg gelegen) woning van appellant.
De gemeente stelt vervolgens voor om in de planregels op te nemen dat onder strijdig gebruik wordt verstaan het “gebruiken of laten gebruiken van het plangebied van het plan voor activiteiten die een geluidbelasting van meer dan 56 à 57 dB(A) op 50 meter uit de grens van het plangebied veroorzaken”.
Deskundigenbericht STAB
De STAB heeft een deskundigenbericht opgesteld. Volgens de STAB is het beter om slechts één norm op te nemen voor de gehele poedertoren. Dat zou bij voorkeur een immissienorm moeten zijn in plaats van een emissienorm. De voorgestelde etmaalwaarde van 56 à 57 dB(A) is volgens de STAB te ruim. De STAB adviseert uit te gaan van een geluidbelasting die 10 dB of meer onder de totale geluidbelasting ligt die voor het gehele bedrijventerrein eerder al planologisch aanvaardbaar is gevonden. De STAB heeft dit opgenomen in een conceptrapport, waar partijen op hebben gereageerd. Volgens de STAB leken partijen zich hierin te kunnen vinden.
Derde herstelbesluit
De gemeente neemt vervolgens een derde herstelbesluit. Het bestemmingsplan wordt opnieuw gewijzigd vastgesteld. Nu met de volgende planregel:
“Onder strijdig gebruik wordt ook begrepen:
h. gebruiken of laten gebruiken van de poedertoren in het plangebied van dit plan voor activiteiten die een geluidbelasting van meer dan:
– 43 dB(A) in de dagperiode (07:00-19:00 uur);
– 43 dB(A) inde avondperiode (19:00-23:00 uur);
– 43 dB(A) in de nachtperiode (23:00-07:00 uur),
veroorzaken op 50 meter uit de grens van het plangebied, waarbij geldt dat er op een hoogte van 5 meter boven maaiveld gemeten moet worden.”
De appellant wordt hier niet enthousiast van. Een lastig punt is dat het plangebied is beperkt tot de poedertoren, terwijl de inrichting een groter gebied beslaat. Hij vindt dat de cumulatieve geluidbelasting onvoldoende is beoordeeld en ten onrechte een afzonderlijke geluidnorm voor de poedertoren wordt opgenomen. De integrale beoordeling wordt volgens hem ten onrechte doorgeschoven naar het spoor van de milieuvergunning. Ook maakt hij zich zorgen over de handhaafbaarheid van de planregel. Juist omdat er meerdere activiteiten plaatsvinden op het terrein van Uzin Utz, zal niet kunnen worden gemeten of de poedertoren afzonderlijk aan de geluidnorm voldoet. Het is onmogelijk om een betrouwbare immissiemeting of bronmeting te doen.
De Afdeling overweegt dat de gehele inrichting uiteindelijk aan de geluidsnormen moet voldoen. Voor het bedrijf geldt een omgevingsvergunning milieu uit 2011. Daarin is een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau toegestaan van 50/45/40 dB(A) op 50 meter vanaf de grens van de inrichting. Voor de maximale geluidniveaus geldt een geluidnorm van 70/65/60 dB(A) op 50 meter. Om de poedertoren in gebruik te kunnen nemen, is een nieuwe omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit vereist. Daarbij zal de gehele inrichting inclusief poedertoren moeten worden beoordeeld. Die omgevingsvergunning staat echter los van het onderhavige bestemmingsplan.
Om te beoordelen wat de impact is van het bestemmingsplan, haalt de Afdeling de bevindingen aan uit de plantoelichting en de geluidsonderzoeken die naar aanleiding van het STAB-rapport nog zijn opgesteld. Bij een geluidnorm van 43 dB(A) op 50 meter is volgens deze onderzoeken sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning van appellant. Hierbij is uitgegaan van de strengst mogelijke geluidnorm voor woningen van 40 dB(A) etmaalwaarde. Als de geluiduitstraling van de uitbreiding van de poedertoren 10 dB(A) lager is dan de strengste norm, wordt het geluid van de uitbreiding van de voorziene poedertoren verwaarloosbaar geacht. Daarmee resteert voor de uitbreiding slechts een geluidbijdrage van 30 dB(A) etmaalwaarde ofwel 30 dB(A) in de dagperiode, 25 dB(A) in de avondperiode en 20 dB(A) in de nachtperiode.
In een representatieve bedrijfssituatie veroorzaakt de poedertoren geluidimmissies bij de woning van 26 dB(A) in de dagperiode en 27 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Op 50 m van het plangebied zijn deze geluidimmissies 38 dB(A) in de dagperiode en 40 dB(A) in de avond- en de nachtperiode. Het verschil tussen de berekende 27 dB(A) op de gevel en 30 dB(A) is 3 dB(A). Als op het 50 m punt een geluidimmissie optreedt van 40 dB(A) vermeerderd met 3 dB(A) oftewel 43 dB(A), dan is de geluidimmissie op de woning 30 dB(A). Deze geluidsnorm van 43 dB(A) is daarom opgenomen in artikel 3.5, aanhef en lid h, van de planregels.
De Afdeling concludeert hieruit dat de geluidbelasting van het gehele bedrijf inclusief poedertoren niet zal leiden tot een overschrijding van de geluidsnormen. Ook vanuit een goede ruimtelijke ordening ontstaat er geen te hoge geluidbelasting. Bovendien zal de inrichting een nieuwe omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit moeten aanvragen waarin opnieuw de geluidssituatie zal worden beoordeeld. Daarbij zouden eventueel aan deze nieuwe omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit ook nieuwe geluidsvoorschriften kunnen worden verbonden.
Handhaafbaarheid – nieuwe grond na inschakeling STAB
En hoe zit het dan met de handhaafbaarheid van de planregel? Ik was benieuwd hoe de Afdeling dit inhoudelijk zou benaderen, maar die nieuwsgierigheid blijft onbevredigd. Appellant heeft dit argument namelijk pas aangevoerd naar aanleiding van het definitieve deskundigenbericht van de STAB. De Afdeling beschouwt dit als een nieuwe beroepsgrond, die te laat is aangevoerd.
Indien de Afdeling besluit de STAB in te schakelen, krijgen partijen drie weken de tijd om al hun beroepsgronden te noemen. Ook in dit geval is partijen hierom gevraagd, met de mededeling dat daarna geen nieuwe gronden meer mogen worden aangevoerd. Appellant heeft de gebrekkige handhaafbaarheid toen niet genoemd. Ook heeft appellant het niet naar voren gebracht in reactie op het conceptverslag. Door te wachten op het definitieve verslag, heeft hij zijn beurt voorbij laten gaan. Dat dit argument waarschijnlijk mede is ingegeven door de gewijzigde formulering van de planregel, maakt dit niet anders.
Dit is zuur voor de appellant en een wijze les voor de praktijk. Op het moment dat de STAB wordt ingeschakeld, is dit altijd aanleiding om te bekijken of in de processtukken alle relevante twistpunten zijn vermeld. En als er dan toch nog iets nieuws opkomt naar aanleiding van het conceptverslag, meld dat dan meteen. De procesregels vereisen dat partijen hun kruit direct verschieten.
Verplaatsing bouwvlak woning Wijchen: ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5874
Het plan in kwestie voorziet in de verplaatsing van de bouwmogelijkheid voor een woning. De nieuwe bouwlocatie ligt dichterbij het landbouwbedrijf van appellante. Appellante vreest voor een beperking van haar bedrijfsvoering.
De Afdeling constateert dat aan de richtafstand van 30 meter uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering wordt voldaan. De feitelijke afstand is 75 meter. Niettemin kan appellante maar in de nachtperiode nog maar net voldoen aan de geluidvoorschriften van haar revisievergunning. Dat betekent dat zij niet meer kan uitbreiden richting de achterzijde van haar bedrijf.
Dit gebrek aan uitbreidingsruimte is geen reden om de verplaatsing van de bouwmogelijkheid tegen te houden. Appellante voldoet immers nog steeds aan de geluidvoorschriften. Zou haar bestaande bedrijfsvoering in het gedrang komen, dan zou de Afdeling dat wel indringend toetsen. Een beperking van uitbreidingsmogelijkheden wordt echter afstandelijker getoetst.
De eerste vraag is bovendien of er überhaupt sprake is van concrete uitbreidingsplannen. Die zijn er niet. Het gaat dus om het afwegen van potentiële toekomstige uitbreidingen, tegen een concreet verzoek tot wijziging van een bouwmogelijkheid die nu voorligt. De gemeente heeft in redelijkheid mogen meewerken aan die verplaatsing. De Afdeling overweegt in dat kader dat het bedrijf weliswaar in de nachtperiode niet kan uitbreiden, maar wel in de avond- en dagperiode. Overigens heeft de gemeente gesteld dat het gemeentelijk beleid erin voorziet om de geluidruimte te verruimen. Het plan is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.
Voorwaardelijke verplichting m.b.t. locatie buiten plangebied
In deze zaak speelt ook een discussie over een voorwaardelijke verplichting die is opgenomen voor de uitvoering van het landschappelijke inpassingsplan. Appellant voert aan dat de locatie waar dit inpassingsplan moet worden gerealiseerd, ten onrechte geen onderdeel is van het plangebied. Appellant betwist dat de totstandkoming van het landschappelijke inpassingsplan via dit bestemmingsplan kan worden afgedwongen.
De Afdeling overweegt dat een voorwaardelijke verplichting ook mag zien op gronden buiten het plangebied, mits de verplichting uitvoerbaar is. In dit geval staan de planregels op de betreffende locatie het toe dat het inpassingsplan wordt gerealiseerd. Ook zijn de betreffende gronden in eigendom van de initiatiefnemer. Daarmee staat voldoende vast dat het inrichtingsplan kan worden uitgevoerd.
Deze overweging is niet alleen relevant voor landschappelijke inpassingsplannen, maar ook voor geluidmaatregelen die met een voorwaardelijke verplichting worden voorgeschreven.
Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout: ABRvS 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5992
Deze zaak gaat om een zogenaamd ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’ op grond van de Crisis- en herstelwet. Dit biedt de mogelijkheid om een bestemmingsplan met meer flexibiliteit op te stellen. Het bestemmingsplan heeft tot doel om een nieuwe woonwijk te kunnen realiseren op een locatie die nu nog een agrarische bestemming heeft.
De flexibiliteit in het bestemmingsplan komt onder meer terug in het feit dat de verkeersstructuur niet is vastgelegd. Het is de bedoeling dat de mogelijkheden van het bestemmingsplan gaandeweg de uitwerking van het plan kunnen worden ingevuld, zonder dat hiervoor nog afzonderlijke planologische procedures nodig zijn. Per bestemming zijn in de planregels regels gesteld over de toegestane gebruiksmogelijkheden en bouwmogelijkheden.
Enkele appellanten die in de nabijheid van de nieuw te ontwikkelen woonwijk wonen, vinden dit een spannend gegeven, zeker omdat niet aan de voorkant duidelijk is wat de verkeersdruk betekent voor de geluidbelasting op hun woningen. Daarom gaan zij in beroep. Zij zijn van mening dat het akoestisch onderzoek niet alle mogelijkheden qua verkeersbewegingen in beeld heeft gebracht en akoestisch heeft doorgerekend. De wijkontsluitingsweg zou bijvoorbeeld verschoven kunnen worden, waardoor de geluidbelasting ook verschuift met een mogelijke toename op hun woningen.
De appellanten hebben kennelijk wel een punt, want de gemeente laat toch een nader akoestisch onderzoek uitvoeren om de akoestische (cumulatieve) consequenties van de theoretische locaties voor de wijkontsluitingsweg alsnog te berekenen. Uit dit nadere akoestische onderzoek blijkt volgens de Afdeling dat ook voor andere locaties van de beoogde wijkontsluitingsweg de akoestische (cumulatieve) consequenties in overeenstemming zijn met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De gemeente zal hier blij mee zijn, want anders was het idee van een heel flexibel bestemmingsplan min of meer van de baan. Een wijkontsluitingsweg is doorgaans behoorlijk bepalend voor de inrichting van een nieuwe wijk. Flexibiliteit lijkt in deze situatie dus toch maar een beperkt gegeven, aangezien het volledige akoestische plaatje wel bekend moet zijn.
Sanering
Geluidsanering woonboerderij Stroe: ABRvS 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5994
Deze uitspraak is een mooi voorbeeld van de discussie over het berekenen van geluidbelasting ten opzichte van het meten en de beleving van geluidbelasting.
De woonboerderij met rieten dak en ronde boerderijraampjes van appellant ligt langs een rijksweg bij Stroe. Door de verlaging van het geluidsproductieplafond geldt voor deze woonboerderij een geluidsaneringsopdracht. De geluidbelasting op de woonboerderij is na het uitvoeren van het saneringsplan hoger dan de streefwaarde van 60 dB. Uit het akoestisch en bouwtechnisch onderzoek blijkt dat de binnenwaarde van 41 dB wordt overschreden. Er moeten derhalve geluidwerende voorzieningen aan de woonboerderij worden aangebracht. De binnenwaarde moet naar 38 dB worden teruggebracht. De Minister doet een voorstel voor het treffen van geluidwerende maatregelen op basis van het akoestisch onderzoek.
Appellant is het niet eens met dat voorstel, omdat de aangeboden voorzieningen de authenticiteit van de woonboerderij aantasten (isolatieplaten tegen de binnenkant van het dak waardoor de oude sporen van het dak verloren gaan en de binnenruimte van de slaapkamers kleiner wordt). Appellant wil het dak niet isoleren, maar betere ramen laten plaatsen. Daarbij is appellant van mening dat de berekeningen uit het onderzoek niet overeenkomen met de door haar ervaren geluidbelasting. Appellant wenst dat er metingen worden gedaan naar het geluid in haar woning of dat met het aanbod tegemoet wordt gekomen aan haar geluidbeleving. Zij ervaart namelijk op andere plaatsen in de woning geluidsoverlast (door ramen en deuren in woonkamer 2 i.p.v. in de slaapkamers op de eerste verdieping), dan de plaatsen waar de Minister geluidwerende maatregelen wenst te treffen.
De Afdeling is van mening dat de Minister mocht uitgaan van de akoestische berekeningen.
“De Minister heeft toegelicht dat in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 is vastgelegd dat het binnenniveau moet worden bepaald door de geluidbelasting op de gevel te verminderen met de geluidwerendheid van de gevel. Volgens de Minister heeft het de voorkeur om de geluidbelasting op de gevel te berekenen omdat met gestandaardiseerde computermodellen reproduceerbare berekeningen kunnen worden gemaakt, waarbij rekening kan worden gehouden met verschillende factoren. In het bijzonder kan rekening worden gehouden met de hoeveelheid verkeer in de toekomst. Ook de geluidwerendheid van de gevel wordt volgens de Minister bij voorkeur berekend, omdat berekeningen per constructieonderdeel kunnen aangeven wat daarvan de geluidswering is en wat het binnenniveau ten gevolge van dat materiaal is. Ook kunnen vervolgens in de berekening losse materialen vervangen worden door andere materialen met een betere geluidwering om te zien wat het effect daarvan is op het binnenniveau. Tot slot kan in de berekeningen rekening worden gehouden met de op grond van het Bouwbesluit vereiste ventilatie van een ruimte.”
Op deze toelichting had de appellant geen weerwoord. Dat de gemaakte berekeningen niet overeenkomen met de subjectieve beleving van appellant, betekent niet dat die berekeningen onjuist zijn.
“De geluidsbeleving van appellant geeft geen objectieve waardes voor de geluidwerendheid van de diverse bouwtechnische onderdelen van de gevel en is daarom niet geschikt om als uitgangspunt te nemen voor de beoordeling of de geluidwerende voorzieningen nodig zijn en zo ja, welke. Bovendien is de Minister wettelijk verplicht tot het treffen van geluidwerende maatregelen, als de binnenwaarde van 41 dB wordt overschreden en moet hij in dat geval geluidwerende maatregelen treffen die de geluidbelasting terugbrengen tot 38 dB of lager. De geluidsbeleving van appellant geeft geen concrete waarde en gaat uit van de huidige situatie en niet de geluidproductieplafonds en is ook daarom niet geschikt om als uitgangspunt te nemen voor het aanbod dat is bedoeld om te voldoen aan deze wettelijke verplichting.”
Appellant wil enkel akkoord gaan met slechts een deel van de aangeboden geluidwerende maatregelen. De Afdeling oordeelt dat dat – helaas – niet kan, omdat de Minister daarmee niet aan zijn verplichting voldoet om de binnenwaarde terug te brengen naar 38 dB.
Op grond van de Wet milieubeheer (art. 11.39 jo art. 11.64 lid 5) vervalt de verplichting van de Minister om geluidwerende maatregelen te treffen, als appellant het aanbod niet accepteert en moet dat worden ingeschreven in het Kadaster. Appellant wil die aantekening niet en verzet zich daartegen. Dat is ook tevergeefs. De aantekening volgt immers rechtstreeks uit de wet en kan dus niet worden weggelaten.
Het hart van de eigenaar van de authentieke boerderij is door deze uitspraak ongetwijfeld gebroken. De vraag is wel waarvoor zij nu kiest (rust of het behoud van de authenticiteit van haar boerderij)? Het zal een lastige keuze blijven!