Inhoud

  • Sarphatistraat 7
    1017 WS Amsterdam
    logo-gemeente-amsterdam (1)
  • Kastanjelaan 400
    5616 LZ Eindhoven
    eindhoven_pms485_liggend_bb (1)
  • Stationsplein 45
    3013 AK Rotterdam
    Group 47

Actualiteiten jurisprudentie geluid – oktober 2021

Een selectie van de uitspraken die in de periode van 29 september tot en met 20 oktober 2021 zijn gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”). Onderwerpen die aan bod komen zijn de formulering van een wijzigingsbevoegdheid, de inpassing van een woning naast een slachterij en planschade door de bouw van geluidschermen.

Ruimtelijke ordening

Wijzigingsbevoegdheid Honderdland: ABRvS 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2332

De gemeente Westland heeft in 2017 het bestemmingsplan “Honderdland fase 2” vastgesteld. Dit bestemmingsplan biedt ruimte voor grootschalige bedrijvigheid en een aantal andere functies. Omdat er vraag is naar meer bedrijventerreinbestemmingen, wil de raad een wijzigingsbevoegdheid opnemen om de bestemming Gemengd te kunnen wijzigen naar Bedrijventerrein.

Appellanten wonen op circa 100 tot 200 meter afstand van het plangebied. Zij vrezen dat de wijzigingsbevoegdheid leidt tot hinder van bedrijven in milieucategorie 3.2 tot en met 4.2.

Een deel van deze vrees wordt veroorzaakt door een discrepantie die appellanten menen te zien tussen de verbeelding en de planregels. De Afdeling legt uit dat de wijzigingsbevoegdheid hooguit bedrijven tot milieucategorie 3.2 mogelijk maakt. Dat lost al een deel van het probleem op.

Vervolgens gaat het over de formulering van de wijzigingsbevoegdheid. Is die wel voldoende objectief begrensd? Volgens appellanten zijn de criteria te vaag. Zo is bepaald dat de bestemming alleen kan worden gewijzigd als het plan “uitvoerbaar is”, “voldoet aan de Wet natuurbescherming”, “voldoet aan milieuwetgeving” en “niet leidt tot verkeerskundige of stedenbouwkundige bezwaren”. De raad voegt daar aan toe dat van de wijzigingsbevoegdheid dus alleen gebruik mag worden gemaakt indien uit onderzoeken blijkt dat er sprake is van een “aanvaardbaar woon- en leefklimaat”.

Appellanten hadden zomaar gelijk kunnen krijgen. De Afdeling heeft namelijk meermaals uitgesproken dat het voldoen aan milieuwetgeving te algemeen is. Dat geldt ook voor een toets aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dat zijn immers randvoorwaarden waar altijd aan moet worden voldaan. Bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid moet op voorhand duidelijk zijn welke criteria er worden gebruikt om te beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling d.d. 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1721.

Met verbazing las ik daarom dat de Afdeling van oordeel is dat de wijzigingsbevoegdheid in dit geval door voldoende objectieve normen wordt begrensd. Zou de Afdeling hiermee een nieuwe lijn in de jurisprudentie willen inzetten? Verder lezend concludeerde ik dat dit niet het geval is.

De specifieke omstandigheden zijn hier van belang. De Afdeling overweegt namelijk dat de wijzigingsbevoegdheid voldoende objectief is begrensd “gelet op de aard van de wijziging, waarbij maximaal bedrijvigheid van categorie 3.2 mogelijk wordt, en de overzichtelijke omvang van het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat”.

Wat bedoelt de Afdeling hiermee te zeggen? De richtafstand voor bedrijven in milieucategorie 3.2 is in gemengd gebied 50 meter. De afstand tot de dichtstbijzijnde woonbestemming is ruim 100 meter. Aan de richtafstanden wordt dus ruim voldaan. Voor veel algemene milieuaspecten zal er dan geen probleem zijn.

Geluid is bovendien specifiek geregeld. Het gaat om een gezoneerd industrieterrein. In het bestemmingsplan Honderdland fase 2 is een systeem van geluidruimteverkaveling opgenomen, waarbij een geluidsruimte per ‘akoestische gebiedseenheid (AGE)’ is toegekend. Een bedrijf dat zich vestigt op de betreffende kavel 48 zal aan de geldende geluidwaarde van 52 dB(A)/m2 moeten voldoen. Toepassing van de wijzigingsbevoegdheid brengt hier geen verandering in.

Dit betekent dat de mogelijke milieugevolgen van een te vestigen bedrijf op voorhand al zodanig zijn ingeperkt, dat een toetsing aan de overige wijzigingscriteria voldoende is. Let op, in dit specifieke geval.

Deze uitspraak moet dus in de volledige context worden gelezen en kan niet worden gebruikt als onderbouwing om in andere bestemmingsplannen ook zulke algemeen geformuleerde wijzigingsbevoegdheden op te nemen. Doe je dat toch, dan moet je op voorhand kunnen onderbouwen waarom je daarmee geen carte blanche geeft.

Slachterij Losser: ABRvS 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2177

In Losser ligt een braakliggend perceel waar in het verleden een horecapand heeft gestaan dat is afgebrand. Het bestemmingsplan maakt op deze locatie één woning mogelijk. Een klein probleem: op 15 meter afstand bevindt zich een slachterij.

De gemeente heeft een milieubeoordeling uitgevoerd. De conclusie daarvan is dat de woning qua geur en geluid prima inpasbaar naast deze slachterij. De exploitant van de slachterij denkt daar anders over en vreest in zijn bedrijfsvoering te worden belemmerd.

Al snel blijkt dat de vrees van de exploitant gegrond is en het bevoegd gezag er een potje van heeft gemaakt. De milieubeoordeling bevat op meerdere punten een “leemte in kennis”.

De Afdeling bespreekt eerst het geuronderzoek. De details zal ik hier achterwege laten, maar het komt erop neer dat er creatief naar het gewenste resultaat is gerekend. Er is eerst berekend welke geurbelasting acceptabel zou zijn op de woning. Vanuit deze planologisch inpasbare bedrijfssituatie is terug geredeneerd hoe groot de slachtcapaciteit zou moeten zijn. De exploitant weet hard te maken dat zijn vergunde slachtcapaciteit hoger is.

De geluidbelasting lijkt op een soortgelijke manier te zijn beoordeeld. De exploitant van de slachterij voert terecht aan dat allerlei geluidbronnen niet zijn meegerekend, die tot de representatieve bedrijfssituatie horen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verplichte schoonspuiten van de veewagens en het regelmatig mixen en leeghalen van de mestkelder.

Voor het verblijf van vee in de stallen is ten onrechte een bedrijfsduur van 5% gehanteerd. In de milieubeoordeling is een parallel getrokken met jurisprudentie over een hondenpension, waarbij ervan uit mocht worden gegaan dat de honden 5% van de tijd blaffen. De Afdeling overweegt dat dit niet kan worden doorgetrokken naar het stallen van vee.

Het bevoegd gezag heeft ook niet zonder nader onderzoek mogen aannemen dat het geluid van de slachterij wegvalt tegen het geluid van het wegverkeer. Zonder onderzoek kan volgens de Afdeling niet worden uitgesloten dat het geluid van de slachterij en het wegverkeerslawaai cumulatief leiden tot een overschrijding van de normen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau “die zijn opgenomen in de milieuvergunning”. Dit argument kan ik overigens niet goed plaatsen, omdat ik mij niet kan voorstellen dat er voorschriften in de omgevingsvergunning zijn opgenomen waarbij tevens het geluid van het wegverkeer wordt meegerekend. Ik ga ervan uit dat dit een ongelukkig gekozen formulering is, want het lijkt in de verdere context te gaan over de beoordeling van cumulatieve geluidhinder in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Het bevoegd gezag heeft wel mogen uitgaan van relatief lage bronvermogens van 96 tot 97 dB(A) voor het rijden van vrachtwagens. Gezien de beperkte oppervlakte van het perceel, mocht ervan uit worden gegaan dat er alleen ruimte is voor middelgrote vrachtwagens en dat de rijsnelheid ter plaatse zeer laag zal zijn. Er hoeft daarom niet te worden uitgegaan van hogere bronvermogens tot 108 dB(A).

Volgens het bevoegd gezag zal het maximaal geluidniveau ter plaatse van het plangebied ten hoogste 64 dB(A) bedragen. De vraag is of deze geluidsbelasting aanvaardbaar is. Aan stappen 2 en 3 van de VNG-brochure wordt niet voldaan. Dat betekent volgens stap 4 dat inpassing van een geluidgevoelige bestemming in beginsel niet mogelijk is. Als het bevoegd gezag toch tot inpassing wil overgaan, dan zal dit zorgvuldig moeten worden onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd.

De exploitant van de slachterij wijst erop dat de binnenwaarde 44 dB(A) zal bedragen bij een minimale gevelwering van 20 dB. Dat lijkt echter te zijn ondervangen in de planregels. De gemeente wijst erop dat in de planregels een geluidwering van ten minste 29 dB is voorgeschreven. Die voorwaardelijke verplichting blijkt primair verband te houden met het wegverkeerslawaai en niet met het geluid van de slachterij. Voor zover deze maatregel toch bedoeld is om het geluid van de slachterij te reduceren, dan helpt dit onvoldoende. De voorgeschreven gevelwering van 29 dB leidt immers tot een binnenwaarde van (64-29=) 35 dB(A) voor het geluid van de slachterij. Voor verkeerslawaai is een binnenniveau van 35 dB toegestaan, maar voor industrielawaai mag het binnenniveau op grond van het Bouwbesluit niet hoger zijn dan 33 dB(A). Er is dus geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het beroep is gegrond en het bestemmingsplan wordt vernietigd. De milieubeoordeling en onderbouwing van het bestemmingsplan bevatten zoveel gebreken, dat de Afdeling er geen heil in ziet om de bestuurlijke lus toe te passen. De gemeente zal opnieuw moeten beoordelen of de bouw van een woning op deze locatie een goed idee is en zo ja, onder welke voorwaarden.

Planschade

Geluidscherm Westfrisiaweg Scharwoude: ABRvS 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2178

Met enige regelmaat wordt er vergoeding van planschade geclaimd vanwege de bouw van geluidschermen. De een is blij met de geluidreductie, de ander mist zijn uitzicht.

Langs de Westfrisiaweg in Scharwoude zijn geluidschermen geplaatst van 6 meter hoogte. Twee eigenaren van naastgelegen woningen verzoeken om vergoeding van planschade. Zij stellen dat de waarde van hun woningen is gedaald en hun levensvreugde sterk is verminderd door gemis van uitzicht en het gevoel in een getto te zijn geplaatst.

Hoewel deze eigenaren feitelijk in een slechtere positie zijn beland, blijkt het planologisch net andersom te zijn. De geluidschermen zijn geplaatst op basis van het Inpassingsplan Westfrisiaweg, dat geluidschermen tot 6 meter hoogte toestaat. Het voorheen geldende bestemmingsplan liet op vrijwel dezelfde plek echter geluidschermen tot 12 meter hoogte toe. Die stonden er alleen niet. Juridisch gaan ze er dus op vooruit, feitelijk niet.

Er is wel enig planologisch nadeel als gevolg van een toename van geluidhinder en vermindering van de luchtkwaliteit. Dat nadeel wordt getaxeerd op € 7.000. Dat geld ontvangen de eigenaren niet, omdat dit wordt weggestreept tegen het normaal maatschappelijk risico. De eerste 2% waardedaling is voor eigen rekening. Laat die 2% in hun geval nu net uitkomen op € 7.300 en € 7.500. Onderaan de streep krijgen deze eigenaren dus € 0. Alle argumenten over misleidende brochures over planschade mogen hun niet baten.

Onder de Omgevingswet zou deze vergelijking van planologische regimes anders uitpakken. Dan wordt namelijk wel gekeken naar hetgeen op de peildatum feitelijk is gerealiseerd. Ook kan de planschade onder de Omgevingswet pas worden geclaimd op het moment dat er ook daadwerkelijk een vergunning wordt verleend voor de bouw van het geluidscherm. Het schadeveroorzakende besluit is dan niet het omgevingsplan dat de bouw van een geluidscherm mogelijk maakt, maar de omgevingsvergunning voor de daadwerkelijke bouw ervan. Onbenutte bouwmogelijkheden leiden dus nog niet tot planschade. Dergelijke ‘schaduwschade’ wordt onder de Omgevingswet niet vergoed. De achterliggende gedachte is dat dit het makkelijker maakt om ruim en flexibel te bestemmen (lees: functies toe te delen aan locaties).

Voor deze appellanten komt de Omgevingswet te laat. Het nadeel blijft voor hun eigen rekening.

halsten divider copy 6