Inhoud

  • Sarphatistraat 7
    1017 WS Amsterdam
    logo-gemeente-amsterdam (1)
  • Kastanjelaan 400
    5616 LZ Eindhoven
    eindhoven_pms485_liggend_bb (1)
  • Stationsplein 45
    3013 AK Rotterdam
    Group 47

Actualiteiten jurisprudentie geluid – juli 2022

Een selectie van de uitspraken die in de periode van 29 juni tot met 13 juli 2022 zijn gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”). Onderwerpen die aan bod komen zijn het carillonmuziek van de Grote Kerk in Den Haag en het wegverkeer van nieuwe woonwijken tussen Den Haag en Monster.

Carillonmuziek

Carillon Grote Kerk Den Haag: ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1890

De renovatie van het carillon van de Grote Kerk (ook wel St. Jacobskerk) blijft niet onopgemerkt voor de omwonenden. Doordat de klokkenstoel is vervangen door een nieuw stalen frame en de klokken en hamers zijn vervangen c.q. gerestaureerd, is het geluid van het carillon in nadelige zin veranderd. Klachten van de omwonenden leiden tot niets. Een omwonende neemt het voortouw, verzamelt handtekeningen en dient een formeel handhavingsverzoek in. Uiteindelijk komt deze omwonende op een steenworp afstand bij de Raad van State terecht om zijn zaak te bepleiten.

Het handhavingsverzoek berust op drie juridische grondslagen: het Activiteitenbesluit, de APV en het bestemmingsplan.

Activiteitenbesluit

De omwonende heeft een geluidsonderzoek laten uitvoeren. Daaruit blijkt dat de normen van het Activiteitenbesluit worden overschreden. De gemeente stelt dat de geluidnormen van het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn, omdat sprake is van onversterkte muziek.

Volgens de omwonende kan er alleen sprake zijn van ‘muziek’ op het moment dat de beiaardier op het carillon speelt. Dat is alleen op maandag, woensdag en vrijdag van 12:00 tot 13:00 uur.

Voor het overige wordt het carillon aangedreven door een speeltrommel. De speeltrommel zorgt ervoor dat het carillon ieder kwartier een voorgeprogrammeerde melodie ten gehore brengt, 52 keer per dag, 7 dagen per week, van 8:15 tot 21:00 uur.

De beiaardier programmeert drie keer per jaar nieuwe melodieën. De speeltrommel wordt op afstand in werking gezet door een computer. Is er geen elektriciteit, dan werkt de speeltrommel niet en wordt er geen melodie afgespeeld.

Het is bekend dat de Afdeling al eerder heeft geoordeeld dat carillonmuziek onversterkte muziek is. In die uitspraken is echter geen onderscheid gemaakt tussen het handmatig carillonspel en het automatisch carillonspel van de speeltrommel. Volgens appellant is er een essentieel verschil tussen het ‘bespelen’ van een carillon en het automatisch ‘bedienen’ van een carillon.

Het argument dat wordt aangevoerd is dat er alleen sprake is van ‘onversterkte muziek’ in de zin van het Activiteitenbesluit als er gemusiceerd wordt. Het ten gehore brengen van muziek impliceert een menselijke activiteit waarbij enige (poging tot) muzikaliteit aan de dag wordt gelegd. Het automatisch afspelen van een voorgeprogrammeerde melodie via een elektronisch bediende installatie, valt daar volgens appellant niet onder.

Appellant verwijst ook naar de Nota van Toelichting, waaruit volgt dat de uitzondering in het Activiteitenbesluit is opgenomen om het bijvoorbeeld niet onmogelijk te maken voor fanfareorkesten om te oefenen. Zouden zij aan het Activiteitenbesluit moeten voldoen, dan zouden vele gemeenschapshuizen van kostbare isolatie moeten worden voorzien. Appellant leidt hieruit af dat het weliswaar om luide muziek kan gaan, maar dat het wel gaat om menselijk musiceren.

De Afdeling oordeelt echter dat de uitzondering wel van toepassing is. Hoewel in de Nota van Toelichting een voorbeeld wordt gegeven van door mensen gemaakte muziek, staat volgens de Afdeling nergens dat dit een vereiste is om ten gehore gebrachte melodieën als muziek te kunnen aanmerken. De rechtbank is voor de betekenis van het begrip ‘muziek’ terecht uitgegaan van de definitie in de dikke Van Dale: “het kunstzinnig ordenen van klanken”. Appellant voert nog aan dat dit “ordenen van klanken” alleen eens per vier maanden gebeurt als de beiaardier nieuwe melodieën programmeert. De Afdeling is echter van mening dat deze viermaandelijkse actie toch betekent dat de muzikaliteit van de beiaardier er aan te pas komt en er dus sprake is van muziek.

Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat het geluid van het carillon niet onversterkt is. Een van de luidklokken die betrokken is bij het carillonspel hangt in de klokkentoren. In de klokkentoren zijn galmborden aangebracht die verstrooiing tegengaan en het geluid naar beneden richten. Ten aanzien van de speeltrommel is daarnaast aangevoerd dat de installatie niet werkt zonder elektriciteit.

Volgens de Afdeling maken deze omstandigheden echter niet dat er geen sprake is van onversterkte muziek. De omgevingsdienst heeft onderzocht of de mechanische aandrijving van de hamers en de galmborden tot een hoger volume leidt en heeft daarvoor geen aanknopingspunten gevonden. Volgens de Afdeling verschilt het geluid van het carillon in dat opzicht niet van het geluid van andere muziekinstrumenten die onder de werking van artikel 2.18 lid 1 sub f van het Activiteitenbesluit vallen als zij in de buitenlucht worden bespeeld.

Appellant voert tot slot aan dat de uitzondering voor onversterkte muziek bij wijze van exceptieve toets buiten toepassing moet worden gelaten, wegens strijd met het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel. Het Activiteitenbesluit bepaalt namelijk dat de gemeenteraad bevoegd is om nadere regels te stellen voor onversterkte muziek. Maar als de gemeenteraad daar niet toe bereid is – bijvoorbeeld omdat het om het gemeentelijke carillon gaat – dan kan de burger daartegen geen rechtsmiddelen aanwenden. Dit zorgt volgens appellant voor een juridisch vacuüm. De Afdeling oordeelt echter dat de wetgever een expliciete keuze heeft gemaakt om onversterkte muziek buiten beschouwing te laten en de afweging om dit alsnog te reguleren bij de gemeenteraad neer te leggen. Dat het dus kan gebeuren dat de gemeenteraad geen regels stelt, is niet in strijd met het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel. Het is niet de taak van de bestuursrechter om in die afweging te treden.

APV

De APV bevat een verbod om geluidhinder te veroorzaken. Dit verbod geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerd voorschriften van toepassing zijn, waaronder het Activiteitenbesluit.

Appellant verlangt handhaving op basis van deze verbodsbepaling uit de APV. Als de geluidnormen van het Activiteitenbesluit immers niet van toepassing zijn op de onversterkte muziek, dan is het verbod uit de APV dus relevant.

Volgens de gemeente zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit wel van toepassing, maar bepaalt het Activiteitenbesluit slechts dat de geluidbelasting van onversterkte muziek buiten beschouwing blijft. Omdat het Activiteitenbesluit in beginsel wel van toepassing is – het carillon is een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer – mist de APV toepassing. De Afdeling volgt deze uitleg van de gemeente.

Bestemmingsplan

Het derde anker waar appellant voor is gaan liggen, is het bestemmingsplan. Op het perceel van de Grote Kerk rust de bestemming ‘Maatschappelijk’. Deze gronden zijn bestemd voor: “bibliotheek, gezondheidszorg, jeugd-/kinder-/buitenschoolse opvang, peuterspeelzalen, onderwijs, openbare dienstverlening, verenigingsleven, zorg en welzijnsinstelling, klooster en erediensten, een en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, groen, water en overige voorzieningen.” Er is geen functie omschreven die rechtstreeks betrekking heeft op het carillon of het ten gehore brengen van muziek.

De gemeente stelt zich na wat omwegen op het standpunt dat het carillon moet worden aangemerkt als openbare dienstverlening. Er zou sprake zijn van dienstbaarheid aan het publiek, doordat een tijdsaanduiding wordt gegeven. Ook zou behoud van de cultuurhistorisch waardevolle carillon onder openbare dienstverlening vallen.

Appellant betwist dit, omdat de tijdsaanduiding door de luidklokken wordt gegeven. De zogeheten ‘voorslag’ van het carillon kondigt alleen de aanstaande tijdsaanduiding door de luidklokken aan. Dat de gemeente de “muzikale omlijsting” waardevol vindt, maakt dat niet anders. Het cultuurhistorische belang is volgens appellant voorts een subjectief waardeoordeel dat los moet worden gezien van de vraag of het gebruik van het carillon onder openbare dienstverlening valt. Waarom zou het bespelen/bedienen van het ene muziekinstrument immers openbare dienstverlening zijn en een ander instrument niet?

De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat onder openbare dienstverlening moet worden verstaan het dienstbaar zijn aan het publiek. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het carillongeluid onderdeel is van een oude traditie, waarvan het behoud bijdraagt aan het aantrekkelijk maken van de binnenstad voor bezoekers. De Afdeling volgt de rechtbank in het oordeel dat dit een vorm is van dienstbaar zijn aan het publiek. Appellant stelt terecht dat de subjectieve beleving van het carillongeluid niet relevant is voor de vraag of het in werking hebben daarvan een vorm is van dienstbaar zijn aan het publiek. De subjectieve beleving van het geluid staat echter los van het behoud van deze traditie die kenmerkend is voor de historische binnenstad van Den Haag.

Het is de vraag of hieruit de voorzichtige conclusie moet worden getrokken dat binnen alle maatschappelijke en openbare bestemmingen waarin de algemene categorie “openbare dienstverlening” is opgenomen, dus ook muziek ten gehore mag worden gebracht – van welke aard dan ook – die helpt om de locatie aantrekkelijk te maken voor het publiek. Dat lijkt haaks te staan op de jurisprudentie dat voor muzikale evenementen een concrete en nauw ingekaderde regeling in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Dat zou een leuke testcase zijn. Wie de schoen past…

(De persoonlijke betrokkenheid van de auteur staat in de weg aan een meer diepgaande reflectie op de juridische merites van deze uitspraak.)

Verkeer

Verkeerslawaai nieuwe woonwijk Westmade-Noord: ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1894

Het bestemmingsplan maakt de bouw mogelijk van ongeveer 500 woningen in de nieuwe woonwijk Westmade-Noord, tussen Den Haag en Monster. In deze omgeving worden in de toekomst nog meer woonwijken gerealiseerd vanuit de richting van de gemeente Den Haag (Parnassia en Vroondaal). Na realisatie van deze woonwijken, zal er sprake zijn van één (stedelijk) gebied. Daarom is de gemeente Westland bij de beoordeling van de toekomstige verkeerssituatie uitgegaan van de categorie woonmilieu ‘Groen-stedelijk’ die volgt uit de CROW normen publicatie 381.

Er zijn geluidsonderzoeken verricht m.b.t. de geluidseffecten van de wegen in de omgeving van het plangebied. De nieuwe woningen zijn getoetst aan de Wet geluidhinder, de bestaande woningen zijn getoetst in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Omdat één van de bestaande wegen door het aanleggen van de aansluiting van de ontsluitingsweg vanuit het plangebied fysiek wordt gewijzigd, is ook onderzoek gedaan naar de effecten van deze reconstructie conform de eisen uit de Wet geluidhinder.

Uit de plantoelichting blijkt dat er bij enkele bestaande woningen vanwege de reconstructie een toename van de geluidsbelasting van meer dan 5 dB is te verwachten ten opzichte van de bestaande situatie. Aangezien dit een toename van de geluidsbelasting is van 2 dB of meer, is er sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Daarom wordt er ter hoogte van die woningen geluidsreducerend asfalt voorgeschreven. Dat levert een reductie van de geluidsbelasting op van 3 dB.

Omwonenden vrezen onder andere voor toename van de geluidsbelasting op hun woningen vanwege verkeer dat van en naar deze woonwijk zal gaan, via nieuwe ontsluitingswegen. Zij stellen dat hun woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast en voeren daarvoor de nodige argumenten aan.

De omwonenden verwijzen onder andere naar de kaart ‘Geluid in Nederland van wegverkeer (Lden)’ van de Atlas Leefomgeving van het RIVM. Daaruit blijkt naar mening van de omwonenden dat de geluidsdeskundigen niet van de juiste reeds bestaande geluidsbelasting zijn uitgegaan. Volgens deze kaart is de bestaande geluidsbelasting hoger dan waarmee de geluidsdeskundigen hebben gerekend.

De STAB gaat in op dit argument en beargumenteert dat niet uitgegaan kan worden van de geluidsbelasting van de kaart van de Atlas Leefomgeving. Op de website van Atlas Leefomgeving staat dat deze kaarten slechts een indicatie geven van de geluidsbelasting op een bepaalde plek. De kaarten bewijzen dus niet dat de geluidsdeskundige foute uitgangspunten heeft gehanteerd. Daarnaast stelt de STAB dat op de kaarten van de Atlas Leefomgeving geen rekening is gehouden met de aftrek van 5 dB voor het stiller worden van het verkeer. Ook wordt op deze kaarten uitgegaan van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen samen. Deze kaarten geven daarom niet de juiste uitgangspunten weer. Dit standpunt wordt door de omwonenden niet bestreden. De Afdeling volgt de uitleg van de STAB.

De omwonenden beargumenteren ook dat de berekeningen van de toename van het verkeer niet juist zijn. Zij maken echter de fout dat zij vinden dat de toename van verkeer ten gevolge van álle toekomstige nieuwe woonwijken (dus ook de woonwijken die door de gemeente Den Haag worden ontwikkeld) moet worden meegenomen in de berekeningen voor het toekomstig verkeer. De Afdeling oordeelt dat dat niet kan, omdat die woonwijken geen onderdeel zijn van dit bestemmingsplan en daarom daar geen rekening mee gehouden kan worden.

Voorts blijkt uit de geluidsrapporten dat er slechts bij enkele bestaande woningen van de omwonenden een toename is van de geluidsbelasting van 1 dB. Deze geluidstoename is voor het menselijk oor niet waarneembaar. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van het plan gevreesd moet worden voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen van deze omwonenden.

Tot slot wordt betoogd dat het geluidreducerende asfalt niet enkel in het wegdeel voor bepaalde woningen moet worden toegepast, maar dat dit asfalt ook elders moet worden toegepast. De Afdeling gaat daar niet in mee, omdat deze voorwaarde geldt op grond van de Wet geluidhinder vanwege de reconstructie van de weg. Deze weg is een binnenstedelijke weg, en daarvoor geldt een zone van 200 meter. Op grond van het geluidbeleid van de gemeente wordt deze geluidszone overigens helemaal doorgetrokken tot aan het uiteinde van de te reconstrueren wegdelen. De omwonenden die wensen dat er ook elders op deze gereconstrueerde weg geluidreducerend asfalt wordt toegepast, wonen buiten deze geluidszone van 200 meter en ook buiten de doorgetrokken geluidszone. Daardoor hoeven hun woningen niet meegenomen te worden in het geluidonderzoek m.b.t. de reconstructie van de weg. Zij kunnen daarom ook geen beroep doen op het toepassen van een geluidwerende maatregel ter hoogte van hun woningen.

Ondanks dat de geluidsargumenten niet worden gehonoreerd, haalt het bestemmingsplan de eindstreep niet meteen. De Afdeling geeft de gemeente de opdracht om herstelmaatregelen toe te passen voor enkele andere onderdelen van het bestemmingsplan en biedt de gemeente de kans om via een bestuurlijke lus het bestemmingsplan alsnog ‘te redden’.

halsten divider copy 6