Inhoud

  • Sarphatistraat 7
    1017 WS Amsterdam
    logo-gemeente-amsterdam (1)
  • Kastanjelaan 400
    5616 LZ Eindhoven
    eindhoven_pms485_liggend_bb (1)
  • Stationsplein 45
    3013 AK Rotterdam
    Group 47

Actualiteiten jurisprudentie geluid – januari 2022

Een selectie van de uitspraken die in de periode van 29 december 2021 tot en met 19 januari 2022 zijn gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”). Onderwerpen die aan bod komen zijn plattelandswoningen, de VNG-brochure en winkelwagens.

Maar eerst de organische ontwikkeling van de Binckhorst in Den Haag. Die had u nog van ons tegoed.

Ruimtelijke ordening

Organische ontwikkeling ‘Omgevingsplan Binckhorst’: ABRvS 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2649

Het bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Binckhorst’ heeft al vaak het nieuws gehaald. De Binckhorst is een wijk in Den Haag waar van oudsher veel bedrijven zijn gevestigd. De gemeente Den Haag wenst deze wijk te transformeren naar ‘een levendige gemengde stadswijk waar gewoond, geleefd en gewerkt wordt’, en dus allerlei functies naast elkaar een plaats moeten kunnen krijgen. De bedoeling is dit gebied organisch te transformeren.

Daarom is gekozen voor een bestemmingsplansystematiek die veel ruimte laat voor toekomstige ontwikkelingen en functies, zonder deze van te voren al in het bestemmingsplan vast te leggen. Deze plansystematiek anticipeert op de mogelijkheden die de Omgevingswet voor toekomstige omgevingsplannen gaat bieden.

De huidige bedrijven in De Binckhorst vinden deze nieuwe plansystematiek toch erg spannend, en hebben al veelvuldig van zich laten horen en diverse malen rechtsmiddelen aangewend tegen dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is daarom nog steeds niet volledig onherroepelijk. Deze uitspraak is waarschijnlijk een van de laatste in de rij en interessant omdat de Afdeling hier duidelijk laat zien dat de gekozen plansystematiek mogelijk is.

Wat is het geval? Bestaande bedrijven zijn van mening dat zij onvoldoende beschermd worden in de nieuwe plansystematiek. Zij vrezen tevens dat hun bedrijfsactiviteiten onder druk komen te staan doordat het mogelijk wordt om bijv. woningbouw op korte afstand van de bedrijfslocaties toe te staan. De Afdeling is het daarmee niet eens.

De locaties van de bestaande bedrijven hebben – net als het merendeel van het gebied –  de algemene functie ‘Transformatiegebied’ gekregen. Binnen deze functie wordt verwezen naar een tabel met de bestaande bedrijfsactiviteiten. Deze tabel is opgenomen in een bijlage bij het bestemmingsplan. In deze tabel zijn de bestaande bedrijfsactiviteiten per bedrijfslocatie per datum van inwerkingtreding van het plan opgenomen. In deze tabel zijn ook de richtafstanden van deze bedrijfsactiviteiten opgenomen voor geluid, geur, stof en gevaar, net als in de VNG-brochure. Er zijn dus geen specifieke bedrijfsbestemmingen opgenomen in het bestemmingsplan. In de planregels is voorts geregeld dat bestaande bedrijfsactiviteiten mogen worden voortgezet en ook dat, onder voorwaarden, wijzigingen van die bestaande activiteiten zijn toegestaan. Ook wordt uitbreiding van bestaande bebouwing mogelijk gemaakt. Als er een nieuwe activiteit komt of een bestaande activiteit wordt veranderd buiten de gestelde voorwaarden dan is een omgevingsvergunning nodig.

De Afdeling is van mening dat deze plansystematiek voldoende waarborgt dat bestaande bedrijfsactiviteiten kunnen worden voortgezet. Een specifieke bedrijfsbestemming is dus niet nodig.

De Afdeling is echter wel kritisch op de inhoud van de tabel. Die biedt naar mening van de Afdeling in dit concrete geval onvoldoende zekerheid. De inhoud van de tabel is te algemeen en niet specifiek op de bestaande bedrijfsactiviteiten toegespitst. Het type bedrijf is niet voldoende uitgewerkt, waardoor het onvoldoende duidelijk is wanneer zo’n bedrijf bij wijziging van (de aard van) de bedrijfsactiviteiten, niet langer binnen de reikwijdte van dat onderdeel valt. En dus is het ook niet duidelijk of voor die gewijzigde bedrijfsactiviteit een omgevingsvergunning nodig is. Dat geldt ook voor de richtafstanden die worden genoemd in deze tabel. Onvoldoende duidelijk is welke wijziging van de bedrijfsactiviteiten ertoe leidt dat de in de tabel bedoelde bedrijven niet langer aan de genoemde richtafstanden voldoen en wanneer een omgevingsvergunning nodig is voor deze wijziging.

Deze onzekerheden moeten door de gemeente nog worden weggenomen (net als een paar kleine andere zaken). Als dat is gebeurd, zou het ‘Omgevingsplan Binckhorst’ onherroepelijk kunnen worden en dienen als een beproefd voorbeeld voor toekomstige omgevingsplannen die organische ontwikkelingen mogelijk willen maken onder de Omgevingswet.

Plattelandswoning Boxtel: ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:166

Bij een melkveehouderij horen twee bedrijfswoningen. Een daarvan is al lang in gebruik als burgerwoning, door iemand die geen binding heeft met het agrarische bedrijf. De gemeente wil die bestaande situatie nu juridisch regelen. Om te voorkomen dat de melkveehouder in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt, kent de gemeente de status ‘plattelandswoning’ toe aan de tweede bedrijfswoning. Toch maakt de melkveehouder zich zorgen over de gevolgen voor de toekomst. Zijn zorgen blijken terecht.

De status ‘plattelandswoning’ heeft tot gevolg dat deze woning voor de aspecten geur en geluid wordt geacht onderdeel uit te maken van de agrarische inrichting waar het voorheen toe behoorde. In zoverre vindt er geen toetsing plaats van de bedrijfsvoering aan de wettelijke geur- en geluidsnormen.

Wat de gemeente over het hoofd ziet, is dat dit niet per definitie betekent dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst. De gemeente verzuimt in dit geval te beoordelen hoeveel geluidhinder deze woning ondervindt. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de melkveehouderij waar de woning onderdeel van uitmaakte, maar ook naar de geluidhinder van een ander nabijgelegen agrarisch bedrijf. De gemeente heeft niet getoetst of deze cumulatieve geluidhinder aanvaardbaar is. Dat het een jarenlange situatie betreft, betekent niet automatisch dat het planologisch aanvaardbaar is.

Daar komt bij dat de gemeente niet heeft gekeken naar de planologisch maximale mogelijkheden. De melkveehouderij zou haar stallen kunnen uitbreiden, of kunnen overschakelen naar een andere te houden diersoort. Is de geur- en geluidhinder dan ook nog steeds aanvaardbaar? Allemaal vragen die vooralsnog onbeantwoord zijn gebleven.

De Afdeling verklaart het beroep van de melkveehouder gegrond en vernietigt het bestemmingsplan. Er wordt geen bestuurlijke lus toegepast. Wel wordt de gemeente opgedragen om binnen 26 weken een nieuw besluit te nemen. Partijen moeten immers weten waar zij aan toe zijn.

Toepassing VNG-brochure Barneveld: ABRvS 9 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:130

De gemeente Barneveld is van plan om drie appartementsgebouwen toe te staan op een locatie direct naast een bouwmarkt met inpandige zagerij, een service- en onderhoudsbedrijf voor reinigings- en onderhoudsapparatuur van Kärcher, en een wasstraat. De eigenaar van deze bedrijven vreest dat op de locatie van de appartementsgebouwen geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- een leefklimaat, omdat zijn bedrijfspercelen op minder dan 10 meter afstand liggen. Ook zouden zijn bedrijfsactiviteiten door de appartementen worden beperkt.

De gemeente heeft voor de onderbouwing van het bestemmingsplan aansluiting gezocht bij de VNG-brochure en de richtafstanden voor o.a. geluid en geur toegepast. Of dat in ieder geval geprobeerd. Aan de richtafstand van 10 meter wordt niet voldaan. De werkelijke afstand is slechts 2,5 tot 3 meter. De gemeente zal dus inhoudelijk moeten onderbouwen waarom dit aanvaardbaar is. De gemeente hanteert het argument dat er al maatwerkvoorschriften zijn vastgesteld voor een reeds bestaande woning op korte afstand. Die maatwerkvoorschriften zullen volgens de gemeente ook een positief effect hebben op de nieuw te bouwen appartementen.

De Afdeling gaat niet mee in dit standpunt van de gemeente. Er is een geluidsrapport waaruit blijkt dat de bedrijfsvoering van appellant wel degelijk wordt belemmerd door de realisatie van deze woningbouw. Voorts is het besluit met de bedoelde maatwerkvoorschriften voor de bestaande woning pas genomen nadat het bestemmingsplan is vastgesteld. Bovendien worden in het geluidsrapport andere maatregelen voorgesteld dan de maatregelen die met het maatwerkvoorschrift zijn opgelegd.

De gemeente wordt uiteindelijk wel gered door de Afdeling. Kennelijk had de gemeente door dat ze wat had uit te leggen over het geluidsniveau op de gevel van en in de nieuw te bouwen appartementen. Na de vaststelling van het bestemmingsplan heeft de gemeente nader onderzoek gedaan naar de geluidssituatie. Er zijn alsnog geluidsbeperkende maatwerkvoorschriften opgelegd aan de bedrijven, die een geluidsreductie van minimaal 20 dB(A) moeten opleveren. Zo moet de deur dicht tijdens het wasproces en moet de hogedrukreiniger in de buitenlucht worden omkast. Daarnaast zijn er hogere waarden vastgesteld voor de gevelbelasting van de te bouwen woningen (55 dB(A) in de dagperiode en 50 dB(A) in de avondperiode). Tenslotte zijn er nog geluidsmetingen verricht, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan een geluidsbelasting van 35 dB(A) in de nieuwe appartementen. Deze geluidsmetingen zijn niet weersproken door de eigenaar van de bedrijven.

Supermarkt Bergeijk: ABRvS 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:62

In het centrum van Bergeijk wordt een voormalig postkantoor herontwikkeld naar een complex met een supermarkt en appartementen. Enkele directe omwonenden zien dit niet zitten en verwachten o.a. geluidsoverlast.

De omwonenden stellen dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit worden overschreden en dat in het geluidrapport ten onrechte wordt aanbevolen om hiervoor maatwerkvoorschriften te stellen.

De Afdeling haalt de bevindingen uit het akoestisch rapport aan. Eerst gaat het over de verkeersaantrekkende werking. Het langtijdgemiddelde geluidniveau daarvan is 53 dB(A). Dat is hoger dan de richtwaarde uit de VNG-brochure maar lager dan de richtwaarde van 65 dB(A) voor de maximale geluidbelasting (piekgeluiden). Het maximale geluidniveau uit het Activiteitenbesluit bedraagt volgens het geluidrapport voor supermarkten ook 65 dB(A) en wordt als gevolg van de supermarkt in de dagperiode overschreden door de laad- en losactiviteiten. Maar de normen van het Activiteitenbesluit zijn niet van toepassing op de laad- en losactiviteiten, zodat dit geen juridisch probleem zou zijn.

Dan komt het aan op de piekgeluiden als gevolg van de winkelwagen opstelplaats. Er kunnen piekgeluiden optreden tot 68 dB(A). Volgens het akoestisch onderzoek wordt de richtwaarde voor het maximale geluidniveau (piekgeluiden) van 65 dB(A) uit de VNG-brochure overschreden. Volgens het geluidrapport worden deze geluiden alleen veroorzaakt tijdens de openingstijden van de supermarkt en dus alleen in de eerste helft van de avondperiode. Er zou bij de woningen wel een aanvaardbaar binnenniveau kunnen worden gewaarborgd. Het akoestisch rapport concludeert dat de ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is.

De Afdeling oordeelt uiteindelijk dat het niet aannemelijk is dat de normen uit het Activiteitenbesluit zullen worden overschreden als gevolg van de geluidbelasting ter plaatse van de woningen van appellanten.

Die conclusie wordt in mijn ogen snel getrokken. Hoe zit het dan met de winkelwagen opstelplaats? Het geluidrapport legt een relatie met de niet juridisch bindende richtwaarde uit de VNG-brochure. Maar als je toetst aan het Activiteitenbesluit, wordt de geluidnorm van 65 dB(A) in de avondperiode wel degelijk overschreden. In ieder geval in de eerste helft van de avond.

Ziet de Afdeling de winkelwagen opstelplaats als indirecte hinder die niet rechtstreeks aan het Activiteitenbesluit wordt getoetst? De jurisprudentie van de Afdeling daarover is niet eenduidig, wellicht omdat het relevant is waar de winkelwagen opstelplaats zich bevindt. Juist daarom was het prettig geweest als de Afdeling dat expliciet had gemotiveerd. Is het indirecte hinder, waardoor het niet rechtstreeks wordt getoetst en dus niet tot een overschrijding leidt? Of moeten we uit de context afleiden dat dit nu juist de piekniveaus zijn waarvoor maatwerkvoorschriften zijn vastgesteld en dat dit acceptabel is omdat de hogere piekniveaus alleen optreden in de eerste helft van de avondperiode? Uit de uitspraak blijkt niet welke van deze twee denklijnen de Afdeling heeft gevolgd. Wellicht kunnen de betrokkenen bij deze zaak meer licht werpen op de specifieke casuïstiek. Voor zover het de Afdeling betreft is dit helaas een gemiste kans om de uitvoeringspraktijk helderheid te bieden over de hamvraag: valt het geluid van een winkelwagen opstelplaats onder directe of indirecte hinder? Wie het zeker weet, mag het zeggen.

halsten divider copy 6